201704.06
0

Hoge Raad 24 maart 2017: Wanneer moet een verjaringstermijn buiten toepassing blijven vanwege de redelijkheid en billijkheid?

Dit arrest is belangrijk omdat de Hoge Raad oordeelt wanneer een beroep op een verjaringstermijn buiten toepassing moet blijven én omdat de Hoge Raad zich uitvoerig mengt in de waardering van de feiten.

Wat was er aan de hand?

Het ging er in deze zaak om of een vordering van de erfgenaam van een asbestslachtoffer op de rechtsopvolger van de werkgever van het slachtoffer was verjaard. De blootstelling aan asbest vond plaats in de periode 1953 – 1969 toen het slachtoffer in juten zaken asbest vervoerde voor zijn werkgever. In 2010 werd hij gediagnosticeerd met de ziekte mesothelioom, waarvan geen andere oorzaak bekend is dan asbestbesmetting. Hij is als gevolg hiervan in 2010 overleden.

Moet de verjaringstermijn buiten toepassing blijven?

Na door de erfgenaam te zijn aangesproken beroept de oud-werkgever zich op verjaring omdat de verjaringstermijn van dertig jaar na de laatste blootstelling aan asbest is verlopen (art. 3:310 lid 2 BW). Zowel de kantonrechter als het hof honoreert het beroep op verjaring en wijst de vorderingen af. In de cassatieprocedure is aan de orde of de verjaringstermijn buiten toepassing moet blijven op grond van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW). Daar lijkt in deze procedure veel voor te zeggen omdat de oud-werknemer pas na verloop van de termijn van dertig jaar met mesothelioom werd gediagnosticeerd. Hij kon dus niet binnen de termijn een vordering instellen.

De Hoge Raad overweegt dat de vraag of toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moet worden beoordeeld (onder verwijzing naar HR 18 april 2000, De Schelde). In dit arrest noemde de Hoge Raad de volgende niet-limitatieve relevante “gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken”:

(a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmede – of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;

(b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;

(c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;

(d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;

(e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;

(f) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;

(g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

Toepassing in deze zaak

De erfgenaam voert aan dat toepassing van de norm uit het De Schelde-arrest ertoe heeft geleid dat zij haar zaak in feite niet aan de rechter kan voorleggen en dat dit in strijd is met het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM). De Hoge Raad wijst deze klacht af omdat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is en bij een overschrijding van een verjaringstermijn een afweging tussen de rechtszekerheid en het belang om iemand aan te spreken moet worden gemaakt. Die afweging, aan de hand van de gezichtspunten uit het De Schelde-arrest kan er ook toe leiden dat iemand toch toegang heeft tot de rechter.

De Hoge Raad verwerpt ook de overige klachten tegen het arrest van het hof en voegt daar opvallend genoeg nog een eigen weging van de feiten aan toe. De Hoge Raad overweegt:

  1. dat ruim veertig jaar is verstreken tussen de uitdiensttreding door de oud-werknemer bij de rechtsvoorganger van de werkgever en de eerste aansprakelijkstelling;
  2. dat er geen aanwijzingen zijn dat de rechtsopvolger van de werkgever nog beschikking heeft over informatie uit die tijd waarmee hij zich kan verweren tegen de vordering noch dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt;
  3. dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de rechtsopvolger van de werkgever een ernstig verwijt van het ontstaan van de schade kan worden gemaakt.

Conclusie

Op het oog kiest de Hoge Raad ervoor om twee abstracte belangen (rechtszekerheid vs. toegang tot de rechter) tegen elkaar af te wegen, waarbij de rechtszekerheid wint. Tegelijkertijd kiest de Hoge Raad ervoor om zich uitgebreid in het feitelijke debat te mengen door te overwegen dat er überhaupt niet zoveel reden was om af te wijken van de hoofdregel dat de vordering was verjaard. De vraag dringt zich dan ook op of de Hoge Raad anders had geoordeeld als hij de feiten anders had gewogen. Wat dat betreft lijkt het erop dat we er met de Hoge Raad een feitenrechter bij hebben.