201704.20
0

Hoge Raad 31 maart 2017: Wanneer is een vordering tot schadevergoeding verjaard?

Het ging in deze zaak om schade vanwege wateroverlast aan een horecagelegenheid. De wateroverlast deed zich voor in 1998 en kon verband houden met werkzaamheden van de Gemeente, het Waterschap of Rijkswaterstaat. Dat was aanvankelijk niet duidelijk.

In 2003 stelt de horecagelegenheid de Gemeente en het Waterschap aansprakelijk. In deze aansprakelijkstelling wordt ook verwezen naar werkzaamheden door het Waterschap “en/of Rijkswaterstaat”. In 2006 blijkt uit onderzoek dat de schade is veroorzaakt door werkzaamheden door Rijkswaterstaat. In april 2010 erkent Rijkswaterstaat aansprakelijkheid maar in oktober beroept Rijkswaterstaat zich opeens op verjaring. Volgens Rijkswaterstaat blijkt uit de aansprakelijkstelling uit 2003 namelijk dat de horecagelegenheid er voldoende mee bekend was dat Rijkswaterstaat de werkzaamheden had verricht en begon toen een verjaringstermijn van 5 jaar te lopen, die dus eindigde in 2008. Rechtbank en hof stellen Rijkswaterstaat in het gelijk.

Hoofdregel

Het gaat in deze zaak om toepassing van de verjaringsregel voor vorderingen tot schadevergoeding (art. 3:310 lid 1 BW). “Een rechtsvordering tot vergoeding van schade (…) verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade (…) als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (…).

Aan een succesvol beroep op verjaring van een vordering tot schadevergoeding worden de volgende eisen gesteld.

a. Subjectieve bekendheid met schade en daarvoor aansprakelijke persoon

De benadeelde moet met (a) de schade en (b) de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden. Een enkel vermoeden van het bestaan van de schade volstaat niet (HR 24 januari 2003, BASF/Drukinkt). Het gaat daarbij om “subjectieve, daadwerkelijke bekendheid” (Hoge Raad 6 april 2001, (X/Wilton Feijenoord); HR 31 oktober 2003; HR 9 juli 2010; HR 10 september 2010).

Als iemand zich er op beroept dat een vordering is verjaard moet diegene stellen en bewijzen dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De rechter mag de daadwerkelijke bekendheid echter ook behoudens tegenbewijs aannemen (Hoge Raad 6 april 2001, (X/Wilton Feijenoord))

b. Daadwerkelijk in staat zijn om een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen

Van dit ‘daadwerkelijk in staat zijn’ is sprake als de benadeelde “voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.” Dit gaat niet zo ver dat de benadeelde met de juridische grondslag van de schadevergoedingsplicht HR 26 november 2004) en met de exacte oorzaak van de schade (HR 20 februari 2004)bekend is.

c. Alle feiten en omstandigheden en onderzoeksplicht

Bij de beoordeling van het voorgaande kunnen alle feiten en omstandigheden een rol spelen (HR 9 juli 2010 en HR 14 november 2014). Op de benadeelde rust wel een onderzoeksplicht naar de bekendheid met de aansprakelijke persoon. Hoge Raad: “Dit neemt niet weg dat degene die de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen achterhalen, maar heeft nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen, zich ter afwering van een beroep op verjaring niet kan beroepen op subjectieve onbekendheid met de aansprakelijke persoon.” (HR 3 december 2010 en HR 2 december 2011).

Oordeel Hoge Raad

Anders dan Advocaat Generaal Keus die (zoals gebruikelijk) Rijkswaterstaat gelijk geeft oordeelt de Hoge Raad dat de vordering niet is verjaard. Dat de horecagelegenheid bekend was met de “mogelijkheid dat Rijkswaterstaat voor de schade aansprakelijk was en dat zij haar rechten door aansprakelijkstelling had kunnen veilig stellen” is niet voldoende om een beroep op verjaring te wettigen .Dat wordt niet anders “indien Mispelhoef professionele rechtsbijstand genoot”. De Hoge Raad betrekt daarbij ook nog een aantal andere omstandigheden zoals dat het onderzoek naar de schadeoorzaak vertraging opliep omdat Rijkswaterstaat traag reageerde op verzoeken om informatie.

Conclusie

Zeker als je bedenkt dat Rijkswaterstaat aansprakelijkheid eerder erkende en het onderzoek naar de schadeoorzaak frustreerde om zich vervolgens op verjaring te beroepen is dit oordeel terecht. Wel beangstigt het dat rechtbank, hof en Advocaat-Generaal anders oordeelden en de horecagelegenheid om ontoereikende redenen in de kou wilden laten staan. Dat de Hoge Raad hier niet aan mee doet geeft de burger moed.