201703.08
0

Hoge Raad 10 februari 2017: Nieuw standaardarrest schadeberekening auto’s en andere roerende zaken

Dit arrest van 10 februari 2017 gaat over de berekening van schade aan roerende zaken, in dit geval een auto. Naar mijn mening is dit een nieuw standaardarrest dat met name voor verzekeraars en juristen belangrijk is.

Wat was er aan de hand?

Het volgende was aan de hand. Vanwege een verkeersongeval op Aruba is een auto total loss verklaard. De auto was iets minder dan drie jaar oud. De eigenaar van de auto was verzekerd tegen deze schade en claimde uitkering bij zijn verzekeraar, New India Assurance. De vraag was vervolgens welk bedrag de verzekeraar moest uitkeren.

De verzekeraar, New India Assurance, heeft de schadevergoeding begroot op de cataloguswaarde verminderd met afschrijvingen van 30% voor het eerste jaar, 15% voor het tweede jaar en iets minder dan 10% voor het derde jaar. Volgens het hof is dit akkoord.

Uitgangspunten voor schadeberekening

De verzekerde stelt tegen het arrest van het hof beroep in cassatie in en met succes. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof. Hiertoe overweegt de Hoge Raad dat in de wet staat dat de rechter “de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is” (art. 6:97 BW). Het uitgangspunt hierbij is volgens de Hoge Raad dat bij “de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding (…) de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven.” Alle omstandigheden van het geval zijn hierbij bepalend, maar op “praktische gronden en om redenen van billijkheid, kan in bijzondere gevallen van een of meer omstandigheden van het geval worden geabstraheerd” (onder verwijzing door de Hoge Raad naar zijn arrest van 5 december 2008). De Hoge Raad oordeelde overigens recenter soortgelijk | HR 11 januari 2013 (Griffioen/De Groot).

Hoe werkt dit alles dan uit bij schade aan roerende zaken? Eerder oordeelde de Hoge Raad dat “de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, door die beschadiging reeds voor en onafhankelijk van herstel daarvan in zijn vermogen een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan” (HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444). Onder verwijzing naar dit arrest oordeelde de Hoge Raad vervolgens in 2004 dat “de omvang van de schade die naar objectieve maatstaven wordt begroot, te worden berekend naar het moment waarop zij wordt geleden” (HR 7 mei 2004, NJ 2005, 76). Dit arrest wordt sindsdien vaak aangehaald om te rechtvaardigen dat uitgekeerde schadevergoeding niet volledig wordt gebruikt voor herstel van de beschadigde auto (of een andere zaak), bijvoorbeeld omdat een kennis tegen een korting de auto repareert zodat een deel van de schadevergoeding ‘winst’ is.

Uitgangspunt bij totaal verlies van de zaak

In het arrest van 10 februari 2017 ging het over een auto die total loss was en dus niet kon worden gerepareerd. De Hoge Raad oordeelt dat in een dergelijk geval sprake is van een verloren gegane zaak “van een soort waarvoor een voor het publiek toegankelijke markt bestaat”. Omdat er een markt voor bestaat kan de schade “in het algemeen (…) worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer van de zaak ten tijde van het verlies”, ofwel de ‘marktwaarde’. Meestal zal dit recht doen aan het uitgangspunt dat de benadeelde in de vermogenspositie wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden, maar dat hoeft niet per se. De benadeelde kan dus bijzondere omstandigheden aanvoeren die ertoe nopen dat hij door vergoeding van de marktwaarde niet in de positie wordt gebracht waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Eigenlijk is dit een overweging ten overvloede, maar belangrijk is deze wel omdat de ‘marktwaarde’ dus niet per se bepalend is. Hoe dan ook, in deze zaak was de vraag hoe de marktwaarde moest worden bepaald.

De verzekeraar had bepleit dat de marktwaarde van de auto (die gelijk is aan de schade) moest worden begroot op de cataloguswaarde minus afschrijvingen. De verzekerde had bij het hof aangevoerd dat dit niet juist was en de martkwaarde op basis van het zogenoemde ‘Kelley Blue Book’ moest worden begroot. Omdat het hof desondanks zonder nadere overwegingen oordeelde dat de afschrijvingsmethode ertoe leidt dat de schade wordt vergoed wordt het hofarrest door de Hoge Raad vernietigd. Het hof had de vraag hoe de marktwaarde moet worden bepaald beter moeten onderzoeken.

Conclusie

Dit is mijns inziens een standaardarrest als het gaat om de begroting van schade aan roerende zaken. In alle gevallen waarin voor het type roerende zaak een markt bestaat (auto’s/fietsen/noem maar op) zal de schade als uitgangspunt op de marktwaarde moeten worden begroot. In bijzondere omstandigheden mag hier echter van worden afgeweken. Als daar niet van wordt afgeweken is de vervolgvraag hoe de marktwaarde moet worden bepaald. In deze zaak was dat of op basis van de afschrijvingsmethode of op basis van het zogenoemde ‘Kelley Blue Book’. De berekening van de marktwaarde zal voor juristen en schadebehandelaars van verzekeraars dan ook een punt zijn om het debat op toe te spitsen.