201712.07
0

Hoge Raad 27 oktober 2017: Betaling volledig cursusgeld ondanks annulering cursus is onredelijk bezwarend

Een beding in algemene voorwaarden waarin staat dat een consument ondanks annulering 100% cursusgeld is verschuldigd voor een cursus van twaalf maanden is onredelijk bezwarend. Dat volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2017.

Het cursusgeld bedroeg in deze zaak € 12.600,=. De toepasselijke en ter hand gestelde algemene voorwaarden van de onderwijsinstelling bepaalden dat bij annulering na een bepaalde datum het volledige cursusgeld verschuldigd was. Vanwege een medische oorzaak (gelegen in psychische gesteldheid) kon de student de cursus niet volgen en daarom beëindigde hij de cursus. De student voerde in rechte aan dat het beding uit de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is (zie Richtlijn 93/13/EEG).

Bij arrest van 21 april 2017, waarover ik eerder een blog schreef, heeft de Hoge Raad een spoorboekje opgesteld waarin staat hoe moet worden onderzocht of een beding in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is. Heel kort samengevat gaat het er om of de algemene voorwaarde ten opzichte van de wettelijke regeling afwijkt en daarom een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de verplichtingen en rechten van partijen oplevert.

Het hof oordeelt als volgt:

  1. De wet bepaalt dat de opdrachtgever te allen tijde de opdracht mag opzeggen (art. 7:408 lid 1 BW). Voor de gevolgen van die opzegging moet aansluiting worden gezocht bij art. 7:411 BW, waarin staat welk loon de opdrachtnemer krijgt als de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken. Van deze bepalingen kan tegenover de consument-opdrachtgever niet worden afgeweken (art. 7:413 lid 2 jo art. 7:408 lid 3 BW).
  2. Het annuleringsbeding is strijdig met (de geest van) art. 7:408 lid 1 BW omdat de student niet de reële mogelijkheid heeft om de overeenkomst op te zeggen. Hij moet dan immers het over het hele jaar verschuldigde cursusgeld betalen. Het hof betrekt daarbij dat het een substantieel bedrag betreft (€ 12.600,=) en dat de opleidingsduur (twaalf maanden) het risico meebrengt dat een student de opleiding, al dan niet buiten zijn schuld om, voortijdig moet beëindigen, zoals in deze zaak het geval was.
  3. Gelet op het voorgaande is het annuleringsbeding onredelijk bezwarend als bedoeld in art. 6:233 aanhef en onder a BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. Het hof oordeelt dat het ambtshalve verplicht is om het beding te vernietigen. Zie over de verplichting om ambtshalve te vernietigen mijn blogs over de arresten van 10 juli 2015, 29 april 2016 en 21 april 2016.

De onderwijsinstelling komt op tegen het oordeel van het hof dat de algemene voorwaarde moet worden gespiegeld aan de wettelijke regeling van art. 7:411 BW om te onderzoeken of de algemene voorwaarde leidt tot een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen partijen. De Hoge Raad gaat hier niet in mee en houdt het oordeel van het hof in stand.

Feitelijk betekent dit arrest dat private onderwijsinstellingen als uitgangspunt geen beroep kunnen doen op een annuleringsbeding dat de cursist verplicht tot betaling van 100% van het cursusgeld. Let wel, deze rechtspraak geldt alleen voor private onderwijsinstellingen die geen onderwijs als bedoeld in de Whw (Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek) of een andere publiekrechtelijke regeling aanbieden. De Hoge Raad heeft in het arrest SCAU/Instellingen namelijk beslist dat bij geschillen met deze onderwijsinstellingen het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs bij uitsluiting bevoegd is, ook als het geen bestuursorganen zijn (zoals Hbo-instellingen en bijzondere universiteiten). Het CBHO oordeelt uitsluitend op basis van het bestuursrecht en niet op basis van het privaatrecht. Alleen als het niet in de wet geregeld onderwijs betreft wordt de student beschermd door de Richtlijn, is het onderwijs wel in de wet geregeld dan moet de student ook bij tussentijdse beëindiging de volle pond betalen.