201504.08
0

Hoge Raad 13 maart 2015: De (on)waarde van de bankgarantie

Bankgaranties zijn van groot belang voor het handelsverkeer. Met name bij grote transacties met buitenlandse partijen worden bankgaranties veel gebruikt. Daarnaast worden in juridische conflicten bankgaranties vaak ingezet om te voorkomen dat een schuldeiser beslag legt op tegoeden van een onderneming. Als je eenmaal een bankgarantie hebt, is beslaglegging immers niet meer nodig.

De meeste in de handel gebruikte bankgaranties zijn vormgegeven als een abstracte garantie op afroep. Dat betekent dat de bank moet uitbetalen onder de voorwaarden van de bankgarantie, ongeacht eventuele problemen met betrekking tot de handelstransactie in verband waarmee de bankgarantie is gesteld. De verkoper van de goederen, die bijvoorbeeld pas betaald krijgt nadat de goederen door een door de koper in te schakelen deskundige zijn gekeurd, is dan de begunstigde van de bankgarantie.

Doorn in het oog van met name partijen uit de Angelsaksische wereld is dat Nederlandse banken niet altijd abstracte bankgaranties uitbetalen. De ‘truc’ die vaak wordt gebruikt, is dat eerst de bank uitbetaling weigert en de schuldenaar vervolgens in een kort geding een verbod op het inroepen van de bankgarantie vordert. Hoewel dit zich slecht verdraagt met de zekerheidsfunctie van de bankgarantie willen rechters hier nog wel eens in meegaan.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 maart 2015 de ‘oude’ leer bevestigd, inhoudende dat een bank in principe onder de in de bankgarantie bepaalde voorwaarden moet uitbetalen, maar dat hierop altijd uitzonderingen kunnen bestaan vanwege de redelijkheid en billijkheid (ECLI:NL:HR:2015:600). De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de bank niet hoeft uit te keren in geval van bedrog of willekeur van de begunstigde of degene die de bankgarantie heeft gesteld, en dat dit bedrog of deze willekeur ook betrekking kan hebben op de onderliggende rechtsverhouding (i.e. de handelstransactie). Hoewel het redelijk is dat geen misbruik kan worden gemaakt, verkeert dit op gespannen voet met het abstracte karakter van de bankgarantie.

De Hoge Raad komt de begunstigde echter wel een klein beetje tegemoet. Als de bank weigert om op verzoek van de begunstigde tot betaling onder de bankgarantie over te gaan, moet zij “onverwijld en voldoende duidelijk redenen voor weigering aanvoeren die een beroep op fraude of willekeur kunnen dragen.” In dit concrete geval had de bank dat nagelaten. De hiermee door de Hoge Raad opgeworpen drempel moet mijns inziens niet worden onderschat. Dat sprake is van fraude of willekeur laat zich immers niet snel bewijzen en bij het ontbreken van voldoende redenen voor weigering moet de bank uitbetalen.