201710.26
0

Hoge Raad 29 september 2017: Recht aandeelhouder op vergoeding van door dochter geleden schade

Dit arrest gaat over het recht van een aandeelhouder om door een dochtermaatschappij geleden schade te vorderen.

Wat was er aan de hand?

Cross Options had een samenwerkingsovereenkomst met ING. Op grond daarvan zou ING zogenoemde leenstukken (financiële producten) aan Cross Options ter beschikking stellen. Dochtermaatschappijen van Cross Options zouden met deze leenstukken financiële producten verkopen. ING verzuimt echter om de leenstukken ter beschikking te stellen en schiet dus tekort in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. Hierop vordert Cross Options een bedrag van ruim 30 miljoen euro aan schadevergoeding van ING. Rechtbank en hof wijzen de vordering af omdat de schade initieel door de dochters is geleden (zij zouden namelijk de financiële producten verkopen). Cross Options heeft als aandeelhouder geen zelfstandig vorderingsrecht.

Afgeleide vermogensschade

Het uitgangspunt van ons vermogensschadevergoedingsrecht is dat de benadeelde, in dit geval Cross Options, “zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven.” Zie HR 5 december 2008 (Rijnstate/Reuvers).  Om de benadeelde in deze positie te brengen moet de schade worden begroot. Als hoofdregel voor deze begroting geldt volgens de Hoge Raad dat “de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden”(zie laatstelijk HR 6 januari 2017, UWV/X). Op zichzelf zijn deze regels ook bij aandeelhoudersschade van toepassing. De bijzonderheid is echter dat zij in de regel geen recht hebben om deze schadevergoeding te vorderen, dat is namelijk aan de dochter omdat zij de schade initieel lijdt. Zie HR 2 december 1994, (Poot/ABP); HR 16 februari 2007 (Tuin Beheer); HR 15 juni 2001 Chipshol e.a./Coopers & Lybrand); HR 12 december 1997 (Ventaz);; (HR 29 november 1996 (Cri-Cri).

Er zijn echter uitzonderingen. De Hoge Raad overwoog dat de aandeelhouder toch zelf een vorderingsrecht heeft als tegenover hem een specifieke zorgvuldigheidsnorm is geschonden en hij hierdoor schade heeft geleden. Zie HR 2 november 2007 (Kessock/S.F.T. Bank); HR 13 oktober 2000 (Heino Krause); HR 2 mei 1997 (Kip en Sloetjes/Rabobank). In de literatuur wordt aangenomen dat deze eisen zo moeten worden begrepen dat het moet vaststaan dat de dochter/deelneming niet meer in rechte voor haar vordering kan opkomen of dat sprake is van een aantasting van het vermogen van de aandeelhouder die los staat (of na verkoop van de aandelen in de dochter/deelneming los is komen te staan) van het vermogen van de vennootschap. In deze gevallen mag de aandeelhouder wel zelf in rechte schadevergoeding vorderen.

Cassatieberoep

Cross Options stelt cassatieberoep in. Zij voert in de eerste plaats aan dat Cross Options de keuze had om de leenstukken door haar dochters of door haar zelf te laten lopen. Als zij had geweten dat het gunstiger was om het zelf te doen en als ING de leenstukken ter beschikking had gesteld, had zij dit gedaan. Ik interpreteer dit argument zo dat Cross Options eigenlijk zegt: Volgens de Hoge Raad moet de omvang van de schade worden bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest als het schadeveroorzakende feit, in dit geval de wanprestatie door ING, niet zou hebben plaatsgevonden (HR 6 januari 2017, UWV/X). In dat geval zou Cross Options de op de leenstukken gebaseerde producten zelf op de markt hebben gebracht en zelf omzet hebben gegenereerd. De dochters zouden er dan dus niets mee te maken hebben. Als ik de conclusie van de Advocaat-Generaal goed lees is dit argument bij het hof niet al te uitvoerig aan de orde geweest. Het hof mocht het daarom ongemotiveerd passeren en volgens de advocaat-generaal was het ook geen essentiële stelling waarop het hof had moeten reageren.