201707.20
0

Hoge Raad 14 juli 2017: Aansprakelijkheid voor fout werknemer/ondergeschikte

Dit arrest is belangrijk omdat de Hoge Raad uitlegt wanneer een onderneming aansprakelijk is voor een fout van een werknemer of andere ondergeschikte.

Wat was er aan de hand?

BAM Rail BV verrichtte in opdracht van ProRail werkzaamheden aan het spoor. BAM heeft op haar beurt JMV ingeschakeld. Tijdens de werkzaamheden ziet een werknemer van JMV over het hoofd dat een wissel in een verkeerde stand ligt, waardoor een voor de werkzaamheden gebruikte trein de wissel beschadigt en ruim een ton schade ontstaat.

De verzekeraar van BAM vergoedt de schade aan ProRail en neemt vervolgens regres op JMV. Daartoe voert de verzekeraar aan dat de werknemer van JMV een fout heeft gemaakt waarvoor JMV op grond van art. 6:170 BW aansprakelijk is. De fout bestaat er volgens de verzekeraar uit dat de werknemer onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door af te gaan op zijn (onjuiste) visuele oordeel en zich niet van de stand van de wissel te vergewissen door af te stappen van de trein.

Hoofdregels aansprakelijkheid voor fout werknemer/ondergeschikte

De Hoge Raad stelt de volgende hoofdregels vast:

1. In een zaak als deze, waarbij schade is toegebracht bij de uitvoering van een overeenkomst en die voor rekening van een contractspartij is gekomen, “is de schade behoudens andersluidend beding in de overeenkomst en mits van een toerekenbare tekortkoming sprake is – verhaalbaar op de met die uitvoering belaste contractspartij, ook indien die schade is veroorzaakt door een als onrechtmatige daad van een werknemer of een hulppersoon aan te merken gedraging (art. 6:74 en 6:75 BW).” Als je wanpresteert omdat je werknemer/ondergeschikte een fout maakt ben je dus als uitgangspunt aansprakelijk.

2. Als de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de betrokken werknemer is de werknemer aansprakelijk tegenover de werkgever (art. 7:661 lid 1 BW). Het begrip ‘bewuste roekeloosheid’ wordt verschillend ingevuld. Naar vaste rechtspraak is subjectieve wetenschap van het risico op schade vereist (HR 5 september 2008, (Telfort/Scaramea)). Deze subjectieve wetenschap of ‘bewustheid’ wordt ‘objectief ingekleurd’. Van Peursem: “Het achterwege laten van eenvoudige maatregelen ter voorkoming van dreigende aanzienlijke schade valt dus ook onder “bewuste roekeloosheid”. Een weten of bewustzijn (van de schade) was bij de opdrachtgever niet vereist. Een verwijtbare nalatigheid (mogelijkheidsbewustzijn) was voldoende.” (conclusie Van Peursem voor HR 6 juni 2014).

3. De benadeelde contractspartij kan er ook voor kiezen om zijn wederpartij niet op grond van wanprestatie aan te spreken (art. 6:74 BW) maar als leidinggevende van de persoon die de schade heeft veroorzaakt (art. 6:170 lid 1 BW). “Daartoe zal moeten komen vast te staan (naast het bestaan van ondergeschiktheid als in die bepaling bedoeld en onverminderd het in lid 2 bepaalde) dat de betrokken werknemer jegens de benadeelde aansprakelijk is wegens een onrechtmatige daad.” Omdat het hier gaat om een fout van de werknemer en die werknemer in een vervolgprocedure door de werkgever kan worden aangesproken “dient de rechter in een op art. 6:170 BW stoelende procedure – waarin de werknemer zelf geen partij is – de onrechtmatigheid van het handelen van de werknemer niet anders te beoordelen dan indien de aansprakelijkheid van de werknemer zelf in het geding is.” In deze zaak – en in vele anderen – vindt discussie plaats over de vraag of de schadeveroorzakende persoon wel ondergeschikt was aan de aangesproken partij. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat het bestaan van “zeggenschap bij de aansprakelijk gehouden partij – hier: JMV – over de vraag of en op welke momenten de persoon die onrechtmatig heeft gehandeld, werkzaamheden voor een bepaalde derde – hier: BAM – dient uit te voeren, is in beginsel toereikend voor de voor toepassing van art. 6:170 lid 1 BW vereiste ondergeschiktheid.” Andere eisen worden aan de eis van het bestaan van ondergeschiktheid niet gesteld.

4. Tenzij dat contractueel is uitgesloten kan de benadeelde contractspartij er ook voor kiezen om de betrokken werknemer rechtstreeks persoonlijk aan te spreken. De werknemer kan dan regres nemen op de werkgever tenzij de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer zelf (art. 6:170 lid 3 BW). Voor de werknemer is dit risicovol omdat hij dan het incassorisico draagt. De werkgever kan immers failliet gaan / wanbetalen.

Onrechtmatige daad ondergeschikte?

Het verwijt aan de werknemer is dat hij ten onrechte afging op zijn (onjuiste) visuele oordeel en had moeten afstappen. Of de werkgever van de werknemer aansprakelijk is, is dus afhankelijk van het antwoord op de vraag of dit verwijt terecht is (zie hiervoor onder 3). In de kern is het verwijt dat het niet goed inspecteren van de wissel de kans op gevaar heeft opgeleverd. De werknemer heeft zich er niet van vergewist of de wissel goed lag en heeft daarmee de goede en kwade kansen op de koop toegenomen. Het gaat hier dus om het leerstuk van gevaarzetting en dat leerstuk bepaalt dat alleen sprake is van een onrechtmatige daad als de mate van waarschijnlijkheid van de verwezenlijking van het aan een gedraging verbonden gevaar zo groot is “dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.” (HR 9 december 1994, NJ 1996, 403). “Daarbij moet niet alleen worden gelet op de kans op schade, maar ook op de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen.” (HR 7 april 2006, NJ 2006/244).

Of aan dit vereiste is voldaan, is maar de vraag. Het hof was in het geheel niet ingegaan op de stelling van JMV dat het zicht tijdens de nacht waarin het ongeval plaatsvond goed was en dat afstappen dus niet nodig was en dat de machinisten hadden gezegd dat het wissel goed lag. De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest en verwijst de zaak naar ander hof om opnieuw te worden beoordeeld.