201510.06
0

Hoge Raad 25 september 2015: Overheidsaansprakelijkheid voor beschadiging schip in sluiscomplex

Deze zaak is interessant voor scheepseigenaren, omdat wordt geoordeeld dat de Staat als beheerder van een sluis aansprakelijk kan zijn voor schades die in de sluis ontstaan (ECLI:NL:PHR:2015:850).

Wat was aan de hand?

De Staat heeft als beheerder van de sluis in Born (Limburg) een onderhoudscontract met een aannemer gesloten. De aannemer huurde van een scheepseigenaar een motorvlet (een klein scheepje) om de binnenkant van de sluis schoon te maken. De sluiswachter zou het water langzaam laten zaken, zodat de sluis vanaf de motorvlet van boven naar onder kon worden schoongemaakt. Terwijl het waterpeil daalde bleef het scheepje echter haken achter de sluisdrempel, waardoor het kantelde en zonk. De bemanning wist zichzelf in veiligheid te brengen, maar het scheepje raakte zwaar beschadigd.

Achmea, als verzekeraar van de scheepseigenaar, eist vervolgens schadevergoeding van de Staat als beheerder van de sluis.

Rechtbank en hof

De rechtbank wijst de vordering van Achmea af, maar het hof beslist anders. Uitgangspunt is dat de Staat als beheerder van de sluis aansprakelijk is voor de onrechtmatige daad die de aannemer aan wie hij het beheer overlaat pleegt (art. 6:170 BW). Op die aannemer – en indirect dus op de Staat – rust een zorgplicht om gevaarlijke situaties te voorkomen (art. 6:162 BW).

Bij de beantwoording van de vraag of die zorgplicht is geschonden – en de Staat via de band van art. 6:170 BW onrechtmatig heeft gehandeld – zijn de criteria van het Kelderluikarrest maatgevend (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079). Het gaat er daarbij – kort gezegd – om dat degene die een gevaarlijke situatie laat ontstaan er rekening mee moet houden dat niet iedereen goed oplet. Daarom kan, afhankelijk van de situatie, de verplichting ontstaan om veiligheidsmaatregelen te nemen. Een bekend voorbeeld van een dergelijke veiligheidsmaatregel is het bordje met de tekst ‘Pas op, nat!’ of iets soortgelijks dat schoonmakers vaak neerzetten als een vloer wordt gedweild.

Het hof oordeelt – samengevat – dat sprake was van een gevaarlijke situatie omdat het waterpeil daalde terwijl het scheepje vlak naast de sluisdrempel lag, met het risico dat het daarachter bleef haken. Hierbij wijst het hof ook op een aantal bepalingen uit de Richtlijnen Vaarwegen 2011, waarin het risico op ongevallen in sluizen wordt onderstreept. Van de Staat mocht – kort gezegd – worden verwacht dat hij erop toezag dat het scheepje correct lag afgemeerd tijdens het laten dalen van het waterpeil. Nu de Staat dit niet heeft gedaan, heeft hij zijn zorgplicht geschonden en is hij aansprakelijk. Echter, de bemanning van het scheepje had zelf ook beter kunnen opletten en kunnen voorkomen dat het bleef haken achter de sluisdrempel. Daarom acht het hof het billijk dat de Staat niet de gehele schade, maar slechts 50% daarvan moet dragen (onder verwijzing naar art. 6:101 lid 1 BW).

Hoge Raad

De Staat stelt cassatieberoep in omdat uit het arrest van het hof zou volgen dat op de Staat een onredelijk strenge norm van toepassing is tot het houden van toezicht op infrastructurele werken die hij aan derden heeft uitbesteed. Volgens de Staat creëert het hof met het arrest “de facto een risicoaansprakelijkheid”. Ook klaagt de Staat dat door het hof rekening had moeten worden gehouden met de beleids- en beoordelingsruimte die de Staat toekomt bij de uitoefening van zijn taak als beheerder van de sluis, althans dat een zekere terughoudendheid van de rechterlijke toetsing is geboden.

De Advocaat-Generaal adviseert de Hoge Raad tot verwerping van het cassatieberoep. Het hof heeft volkomen terecht het Kelderluik-arrest (art. 6:162 BW) en het leerstuk van aansprakelijkheid voor ondergeschikten (art. 6:170 BW) toegepast. De opvatting van de Staat dat het arrest van het hof een soort principieel karakter heeft dat ‘de facto’ tot risicoaansprakelijkheid van de Staat leidt voor schades die ontstaan in verband met infrastructurele projecten is onjuist. Het hof heeft terecht ‘simpelweg’ de normale regels die volgen uit het leerstuk van aansprakelijkheid voor ondergeschikten en het Kelderluik-arrest toegepast. De Hoge Raad neemt het advies van de Advocaat-Generaal over en verwerpt het cassatieberoep van de Staat.

Advies

De Staat is als beheerder van de vaarwegen en sluizen verantwoordelijk voor het onderhoud dat daaraan wordt gepleegd. Mocht schade aan een schip ontstaan, omdat de Staat in strijd met zijn zorgplicht een gevaarlijke situatie heeft laten ontstaan dan is hij aansprakelijk voor (een deel van) de gevolgen daarvan. Dat betekent niet dat de Staat altijd aansprakelijk is voor schades die in een sluis ontstaan. De Staat is in situaties als deze pas aansprakelijk als de persoon die hij heeft ingeschakeld voor het beheer van de sluis (de ondergeschikte in de zin van art. 6:170 BW) in strijd met een zorgplicht heeft gehandeld en de schade daar het gevolg van is.

Eigenlijk is het merkwaardig dat de Staat cassatieberoep heeft ingesteld tegen het arrest van het hof. Welbeschouwd lijkt de inzet van het cassatieberoep immers te zijn geweest dat het leerstuk van aansprakelijkheid voor ondergeschikten überhaupt niet op de Staat van toepassing zou zijn. Het spreekt voor zich dat de Hoge Raad daar geen aanleiding toe heeft gezien.