201504.16
0

Hoge Raad 3 april 2015: Is rendementsheffing in strijd met het recht op eigendom?

Vormt de heffing van inkomstenbelasting over inkomsten uit sparen en beleggen een inbreuk op het eigendomsrecht? Deze vraag is aan de orde gekomen in een recent arrest van de Hoge Raad. Het verrassende oordeel van de Hoge Raad is niet alleen van belang voor belastingzaken, maar ook voor andere geschillen over heffingen.

Bij de bepaling van de inkomsten uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van een forfaitair rendement van vier procent, berekend over de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) van het positieve saldo van de bezittingen en de schulden. De vraag hoe hoog (of laag) het werkelijke rendement van de bezittingen is, is volgens het stelsel van de wet dus niet relevant. De wetgever achtte dit echter gerechtvaardigd omdat door uit te gaan van een forfaitair rendement van vier procent: “op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.” (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

Vanwege de economische crisis, maar ook in zijn algemeenheid vanwege de lage rendementen op inkomsten, is voorstelbaar dat dit uitgangspunt van de wetgever niet door iedereen wordt gedeeld. Het is immers heel goed mogelijk dat het daadwerkelijke rendement nihil is, maar desondanks toch een rendementsheffing over een fictief rendement van vier procent over de WEV moet worden betaald. De vraag rijst dan of dit niet een inbreuk vormt op het recht op eigendom zoals dat is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Naar vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is sprake van een ongeoorloofde inbreuk op het recht op eigendom in geval van strijd met een of meer van de volgende beginselen: de inbreuk moet voorzienbaar zijn (‘the principle of lawfullness’), de inbreuk moet een redelijk doel dienen (‘ the principle of legitimate aim in the general interest’) en de inbreuk moet in relatie tot het redelijke doel proportioneel zijn (‘the principle of a fair balance’). Van een ongeoorloofde inbreuk is sprake als een afweging van deze beginselen tot de conclusie leidt dat de betrokkene vanwege de inbreuk wordt geconfronteerd met een ‘buitensporig zware last’ (‘an individual and excessive burden’; vergelijk EHRM 25 oktober 2011, 2033/04 (Valkov t. Bulgarije).

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in deze zaak onvoldoende is gesteld of gebleken voor het oordeel dat het stelsel van rendementsheffing leidt tot een buitensporig zware last, maar heeft wel overwogen onder welke voorwaarden daar wel sprake van zou zijn. “Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP [het recht op eigendom – toevoeging MK] indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.”

Het is uitzonderlijk dat de Hoge Raad een beroep afwijst, maar vervolgens toelicht onder welke voorwaarden het beroep gegrond zou zijn. Misschien kunnen we tussen de regels lezen dat de Hoge Raad begrijpt dat overheidsheffingen niet altijd tot billijke resultaten leiden. Het is nu wachten op het eerste arrest van de Hoge Raad over een zaak waarin aan de hand van de door de Hoge Raad gestelde voorwaarden wordt bepleit dat een heffing onrechtmatig is.