201712.13
0

Hoge Raad 17 november 2017: Zorgaanbieders opgelet: Pandrecht op vorderingen van zorgaanbieder op zorgverzekeraar is mogelijk en geldt ook voor niet-afgeronde zorg

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 november 2017 geoordeeld dat op grond van een niet-afgeronde geneeskundige behandelingsovereenkomst een vordering kan ontstaan en dat deze vordering kan worden verpand. Voor zorgaanbieders is dit een belangrijk arrest. Voor GGZ-zorgaanbieders is het belangrijk uit het arrest blijkt dat zij ook bij niet-afgeronde zorgtrajecten mogen claimen bij de zorgverzekeraar. Voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders is het arrest interessant omdat het illustreert dat zij een pandrecht kunnen vestigen op vorderingen van hun patiënten op zorgverzekeraars. Zo kunnen zij de zorgverzekeraar rechtstreeks aanspreken tot betaling.

Wat was er aan de hand?

Het ging in deze zaak om een failliet verklaarde zorgaanbieder (Better Life). Uit het arrest maak ik op dat Better Life haar declaraties rechtstreeks bij de zorgverzekeraars kon indienen.

De incasso van de declaraties liet Better Life doen door Famed. Better Life heeft ten gunste van Famed haar vorderingen op zorgverzekeraars aan Famed verpand. Na het faillissement heeft Famed haar pandrecht aan de curator openbaar gemaakt. De curator stelde zich echter op het standpunt dat het pandrecht geen werking had met betrekking tot onderhanden werk (i.e. niet-afgeronde zorgtrajecten). Daartoe beargumenteerde de curator dat de door Better Life verleende zorg door zorgverzekeraars werd vergoed op basis van de zgn. Diagnose Behandeling Combinatie-regeling (DBC). Op grond van de DBC mocht Better Life pas na afronding van een zorgtraject een factuur indienen, met andere woorden, pas na afronding van een zorgtraject ontstond een voor verpanding vatbare vordering. Het hof ging in deze redenering mee.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt (gelukkig) anders. Daartoe overweegt hij dat bij geneeskundige behandelingsovereenkomsten meerdere “als zodanig identificeerbare en op geld waardeerbare deelprestaties kunnen worden aangewezen, na verrichting van elk van die deelprestaties een daarmee corresponderende vordering tot betaling van loon ontstaat, tenzij de zorgaanbieder met de patiënt anders is overeengekomen”. Met andere woorden: Ook voorafgaand aan de afronding van een behandeling kan een vordering ontstaan en die vordering kan zijn verpand. De Hoge Raad pareert het argument dat in de DBC anders is bepaald met de constatering dat de DBC-regeling gaat over “de hoogte en declaratiewijze van het tarief van een prestatie” maar op zichzelf niets bepaalt over het ontstaan van vorderingen.

Consequenties

Met dit arrest komt de Hoge Raad tegemoet aan zorgaanbieders, met name in de GGZ. De positie van zorgaanbieders is precair omdat zij afhankelijk zijn van betaling door zorgverzekeraars, die niet altijd welwillend zijn. Met dit arrest is duidelijk geworden dat ook tijdens een behandeling vorderingen op de zorgverzekeraar dan wel verzekerde ontstaan. Deze vorderingen kunnen worden verpand, wat bijdraagt aan de financierbaarheid van zorgaanbieders. Voor niet-gecontracteerde zorgaanbieders biedt het arrest ook ruimte. Zij zitten nogal eens met het probleem dat zij geen contract met de zorgverzekeraar van de patiënt hebben en dus afhankelijk zijn van betaling door de verzekeraar aan de patiënt, voordat hun rekening door de patiënt kan worden voldaan. Niet-gecontracteerde zorgaanbieders kunnen m.i. dit probleem pareren door met de patiënt af te spreken dat zijn vordering op de zorgverzekeraar wordt verpand aan de zorgaanbieder. Op die manier kan de niet-gecontracteerde zorgaanbieder bij wanbetaling door de patiënt (misschien wel veroorzaakt door wanbetaling door diens zorgverzekeraar) rechtstreeks de zorgverzekeraar aanspreken.