201710.16
0

Hoge Raad 22 september 2017: Wijzigingen vóór acceptatie verzekering maar ná invullen vragenformulier moeten worden doorgegeven als daar in het formulier om wordt gevraagd

Dit arrest is belangrijk voor verzekeraars en assurantietussenpersonen. Het ging in dit arrest om een aspirant-verzekerde die een levens- of overlijdensrisicoverzekering afsloot. Met het oog op het afsluiten van deze verzekering moest hij een gezondheidsverklaring invullen. In deze verklaring stond onder meer dat als de “gezondheidstoestand verandert na het invullen van dit formulier, maar vóórdat de verzekering totstandkomt” dit direct aan de verzekeraar moest worden meegedeeld.

De tussenperiode

Na het invullen van de gezondheidsverklaring maar voor totstandkoming van de verzekering gaat de aspirant-verzekerde naar de huisarts met slikklachten. Deze verwijst hem door naar een specialist. Twee weken na het onderzoek door de specialist komt de verzekering tot stand. Het bezoek aan de huisarts en onderzoek door de specialist zijn niet aan de verzekeraar doorgegeven.

De klachten bleken helaas een symptoom van slokdarmkanker te zijn. Een klein jaar na totstandkoming van de verzekering gebeurt het ergste en komt de verzekerde te overlijden.

De begunstigde van de verzekering maakt aanspraak op uitkering. De rechtbank wijst de claim ad € 150.000,= toe maar het hof vernietigt het vonnis en wijst de claim alsnog af. Daartoe overweegt het hof dat in de gezondheidsverklaring duidelijk stond dat alle klachten over de gezondheidstoestand uit de tussenperiode (de periode tussen ondertekening van het gezondheidsformulier en totstandkoming van de verzekering) aan de verzekeraar moesten worden gemeld. Dit is niet gedaan waardoor wezenlijke informatie aan de verzekeraar is onthouden. Had de verzekeraar het wel geweten dan had hij de verzekering niet gesloten, de verzekeraar hoeft daarom niets uit te keren (art. 7:930 lid 4 BW).

Cassatieberoep

Het gaat in deze zaak om de verplichting van de aspirant-verzekerde om “vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen.” (art. 7:928 lid 1 BW).

De begunstigde stelt cassatieberoep in en stelt dat in de tussenperiode zwaardere eisen aan het kenbaarheidsvereiste moeten worden gesteld dan bij het invullen van dat formulier.

De Hoge Raad wijst deze klacht af en overweegt daartoe dat aan de mededelingsplicht van de aspirant-verzekerde geen zwaardere eisen mogen worden gesteld dan gelden bij het invullen van het formulier als [of mits?- MK] de verzekeraar in het vragenformulier uitdrukkelijk erop heeft gewezen dat in de periode tussen het invullen van het vragenformulier en het accepteren van de verzekering mededeling dient te worden gedaan van wijziging in de relevante feiten of omstandigheden waarnaar in het formulier wordt gevraagd. Het uitgangspunt is dat de verzekeringnemer/aspirant-verzekerde moet begrijpen dat de feiten waar de verzekeraar naar vraagt van belang kunnen zijn bij de beslissing van de verzekeraar over het sluiten van de verzekering. De Hoge Raad voegt daar iets nieuws aan toe: “Beslissend is dan ook hoe de verzekeringnemer of de aspirant-verzekerde de aanwijzing om mededeling te doen van gewijzigde feiten of omstandigheden onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs in de context van het gehele vragenformulier heeft behoren op te vatten”.

De slotsom is dat de aspirant-verzekeringnemer melding had moeten maken van zijn klachten. Omdat hij dat niet heeft gedaan mag de verzekeraar zich beroep op de regel dat in het geheel geen uitkering is verschuldigd “wanneer de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten (art. 7:930 lid 4 BW) of wanneer is gehandeld met het opzet om de verzekeraar te misleiden (art. 7:930 lid 5 BW)”. Voor de begunstigde onder de verzekering slecht nieuws dus.

Conclusie

Voor verzekeraars is dit een aardige overwinning. Advocaat-Generaal Spier schreef in zijn conclusie voor het arrest X/Amersfoortse van 14 juli 2006 nog dat het kenbaarheidsvereiste met betrekking tot de tussenperiode gaat om “feiten waarvan betrokkene heeft moeten begrijpen dat ze voor de verzekeraar wezenlijk zijn”. Het ligt dan voor de hand om ook in deze zaak aan te nemen dat een enkel huisartsenbezoek geen aanleiding gaf aan contact opnemen met de verzekeraar, maar de doorverwijzing naar de specialist wellicht wel. De Hoge Raad doet hier geen uitspraak over, want dat hoeft niet. Doorslaggevend is volgens de Hoge Raad dat de verzekeraar in de modelgezondheidsverklaring de tekst “Als uw gezondheidstoestand verandert” etc. heeft opgenomen. Er staat dat wijzigingen in de gezondheidstoestand moeten worden doorgegeven, duidelijk kan het niet, zo lijkt de Hoge Raad te menen. Voor verzekeraars zal dit aanleiding zijn om alle formulieren nog eens na te lopen en daar waar dat nog niets is gebeurd te vermelden dat relevante informatie in de tussenperiode ook worden meegedeeld.