201604.07
0

Hoge Raad 25 maart 2016: Opzet tot misleiding verzekeraar

Opzet tot misleiding van de verzekeraar door de verzekeringnemer leidt tot vermindering van de uitkering of verval van het recht op uitkering.  De Hoge Raad heeft in dit arrest bepaald wanneer sprake is van opzet tot misleiding van de verzekeraar.

Wat was aan de hand?

De verzekeringnemer in deze zaak huurde een pand in Den Bosch waarin hij een café exploiteerde. Hij was bij ASR verzekerd voor brandschade. Een half jaar na het afsluiten van de verzekering was in het pand brand ontstaan en verzocht hij ASR om polisdekking.

Tijdens het onderzoek van ASR naar de oorzaak van de brand kwam ASR er achter dat het gerucht ging dat de in het café werkzame broer van de verzekeringnemer betrokken was bij een ruzie/vechtpartij waarbij iemand was doodgeschoten. Deze broer zat daarvoor in hechtenis. Kort na de schietpartij was bij het café ook al brand gesticht.

Volgens ASR had de verzekeringnemer deze feiten bij het afsluiten van de polis verzwegen met het opzet om haar te misleiden. Het gevolg daarvan was volgens ASR dat de verzekeringnemer geen recht op uitkering onder de polis had (art. 7:930 lid 5 BW en art. 7:928 lid 1 BW). De verzekeringnemer stelt daar tegenover dat hij weliswaar niet alle feiten volledig aan ASR heeft opgegeven, maar dat dit niet met het opzet was om haar te misleiden.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad bepaalt eerst wat de maatstaf is van een beroep op art. 7:930 lid 5 BW.

Mede gelet op de tussen de art. 7:928 BW en 7:930 BW bestaande samenhang dient onder opzet tot misleiding in de zin van art. 7:930 lid 5 BW te worden verstaan dat de verzekeringnemer feiten of omstandigheden niet aan de verzekeraar heeft medegedeeld die hij kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen, terwijl de verzekeringnemer aldus heeft gehandeld met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.”

De Hoge Raad oordeelt dat aan deze maatstaf is voldaan. De verzekeringnemer wist of behoorde te weten dat de beslissing van ASR om een verzekeringsovereenkomst af te sluiten afhankelijk was van het risico. Hij moest dus ook weten dat ASR de overeenkomst niet zou sluiten als hij had verteld dat eerder brand was gesticht en dat zijn broer in verband met een vechtpartij waarbij iemand was doodgeschoten werd gebracht.

Advies

Dit arrest is belangrijk voor verzekeraars, omdat nu duidelijk is wat zij moeten stellen en bewijzen om een beroep op misleiding met verval van dekking te rechtvaardigen. Ook voor verzekeringnemers en assurantieadviseurs is helder wat zij de verzekeraar moeten vertellen. Assurantieadviseurs moeten er bovendien waakzaam voor zijn dat de aspirant-verzekeringnemer weet dat op hem een verstrekkende mededelingsplicht rust en dat de gevolgen van schending daarvan verstrekkend zijn. Voldoet de assurantieadviseur niet aan deze zorgplicht dan loopt hij het risico op aansprakelijkheid voor de gevolgen van de schending van de mededelingsplicht (zie mijn blog van 4 maart 2016).